De afgelopen maanden hebben we ons in het ‘voorwoord’
vooral bezig gehouden met bijbelstudies van dr John Stott.
En in het bijzonder over de taak van de gemeente van Christus in deze wereld. Het leek ons goed ook eens aandacht te besteden aan de Psalmen en wel uit een dagboek van ds Troost.
Deze keer beginnen we met een heel bekende psalm, misschien wel de bekendste, psalm 23 : 1-4 :
GEEN GEBREK
De Heer is mijn herder,
het ontbreekt mij aan niets.
Hij laat mij rusten in groene weiden
en voert mij naar vredig water.
Hij geeft mij nieuwe kracht
en leidt mij langs veilige paden
tot eer van Zijn naam.
Al gaat mijn weg door een donker dal,
ik vrees geen gevaar, want U bent bij mij.
Uw stok en Uw staf, zij geven mij moed.
Dat is natuurlijk waanzin: dat het je aan niets zal ontbreken als God je Herder maar is! Stel je voor als dat waar was, zou er geen mens meer op aarde zijn die niet haastje-repje in God zou gaan geloven…. Voor ieder die gelooft: alle tekorten opgeheven!
Prijs de naam van de Eeuwige en je hebt brood voldoende voor elke dag, koffie, thee en limonade, kinderen en kleinkinderen, geld in je portemonnee en benzine in de tank van je auto! Word christen en je bent de meest tevreden mens die op aarde rondloopt. Gelooft u het? Ik niet.
Maar wat is het dán, deze psalm? Die dichter is toch niet gek?
Schreeuwt zo’n man dan voortdurend boven zichzelf uit?
Of bedoelt hij dat hij geestelijk niets tekort komt? Gelooft hij dat hij met de goede herder aan zijn zijde innerlijke kracht zal ontvangen om in de moeilijkste momenten toch het gevoel te hebben dat alles in orde is? Ik weet het niet. Ik heb deze psalm niet geschreven. Eerlijk gezegd denk ik dat de dichter helemaal niets heeft gedacht. Hij heeft alleen gezongen. En als je zingt. denk je niet. dan loof je, dan prijs je, dan raak je buiten jezelf. En alleen dan beleef je dat je niets tekort komt! Dan valt alles weg. Alles wat er was en is en wezen zal, aan pijn, aan ongenoegen, aan honger en dorst, aan ongeloof en onvrede, aan verdriet en teleurstelling - alles. Als je zingt, als je de Eeuwige als je herder prijst, met hart en ziel, recht van lijf en leden of zo krom als een hoepel en met horten en stoten, dán ervaar je het:
dat ‘gebrek’ maar een beperkt begrip is, dat er een volheid van geborgenheid bestaat, buiten jezelf, maar zo ook in jezelf, een vrede die het verstand te boven gaat.
Onder zijn hoede zal mij niets ontbreken.
groen is het land waarin Hij mij doet komen,
fris is de bron die Hij voor mij doet stromen.
Hij sterkt mijn ziel en wijst mij rechte wegen,
Opdat ik Hem zal prijzen om Zijn zegen.
Goede ,hemelse Herder, ik kom van alles tekort, ik mis meer dan ik U zeggen kan - maar met U heb ik alles wat ik maar nodig heb, nu en morgen en in eeuwigheid.